Lewis Hamilton is na afloop van de voor hem dramatisch verlopen Hongaarse Grand Prix zeer ontevreden met zijn eigen optreden. Nico Rosberg baalt eveneens van zijn gemiste kans terrein goed te maken ten opzichte van Hamilton.

De van pole position gestarte Lewis Hamilton zag direct bij de start al drie concurrenten aan hem voorbij komen. In diverse pogingen terrein goed te maken, verslikte Hamilton zich herhaaldelijk in zijn tegenstanders. Door allerlei andere incidenten en straffen wist hij alsnog beslag te leggen op de zesde plaats, maar helemaal verdiend vindt hij dat zelf niet.

“Het was echt een bizarre race. Heb ik die punten verdiend? Enkel bij de gratie Gods. Ik moet nu even op adem komen om de volgende keer weer sterker terug te komen, want dit was echt mijn slechtste optreden sinds tijden. Ik ging alle kanten op. Ik durf niet te zeggen waar dat vandaag aan lag, of het nou een concentratieprobleem was of iets anders, maar ik neem alle verantwoordelijkheid op me.”

Hamilton weet ook wie hij moet bedanken voor het feit dat hij alsnog acht punten mee naar huis neemt: “Ik heb een belabberde race gereden, maar het team heeft me dankzij enkele strategische beslissingen in de race weten te houden.”

Rosberg
Hamilton mag dan niet tevreden met wat hij op de Hungaroring liet zien, hij loopt in het kampioenschap wel uit op titelrivaal en teamgenoot Nico Rosberg. De Duitser leek na de problemen van Kimi Räikkönen lange tijd op weg naar de tweede plaats, maar kwam in de slotfase van de race in aanraking met Daniel Ricciardo, hetgeen hem een lekke achterband opleverde. 

Nico Rosberg reageert na afloop van de race op een typische Rosberg-manier op het voorval: “Ik was heel tevreden met hoe mijn race verliep, maar uiteindelijk verloor ik door de botsing heel veel punten. Dat is jammer, maar het is niet anders. Formule 1 is af en toe een meedogenloze sport.”

“Ik zat op ideale lijn, dus ik ging ervan uit dat ik mijn lijn gewoon kon houden. Ricciardo remde echter te laat en schoot rechtdoor, maar bij het uitkomen van de bocht zat hij met zijn voorvleugel nog steeds naast me. Hij gaf me niks cadeau.”